Een icoon sinds 1961
Toen Jaguar de E-Type in 1961 op het autosalon van Genève voorstelde, zette het merk een nieuwe standaard voor sportwagens. De lange motorkap, de zelfdragende carrosserie, schijfremmen rondom en onafhankelijke achterwielophanging maakten de wagen technisch vooruitstrevend, terwijl de prijs ver onder die van vergelijkbare Italiaanse sportwagens lag. Tot 1975 bleef de E-Type in productie, in drie series en met zes- en twaalfcilindermotoren. Die lange loopbaan verklaart waarom de prijzen vandaag zo sterk uiteenlopen: een vroege roadster en een late 2+2 coupé zijn in de praktijk twee verschillende markten.
Waardeontwikkeling
De E-Type was lang een betaalbare klassieker, maar tussen 2012 en 2016 schoten de prijzen omhoog. Volgens Hagerty verdubbelde de waarde van een vroege Series 1 roadster in die periode ruimschoots, waarna een correctie volgde. In het Verenigd Koninkrijk bereikte de gemiddelde waarde van een Series 1 4.2 roadster begin 2021 het laagste punt in tien jaar. Tegelijk liep de Amerikaanse markt een tijd lang voor, met opvallend hoge verkoopprijzen voor topexemplaren.
Recente cijfers bevestigen een markt die vooral selectief is. Op basis van ruim 4.000 veilingresultaten ligt de mediaan voor een Series 1 3.8 roadster rond £105.000, ongeveer €120.000, en voor een Series 1 4.2 roadster rond £96.000. Series 2 en Series 3 roadsters zitten met een mediaan rond £55.000 een stuk lager. Prijsgidsen van Hagerty, aangehaald door Classic Trader in 2025, tonen voor een vroege roadster een bandbreedte van ongeveer £87.000 tot £191.000, wat aangeeft hoe groot het verschil tussen een gemiddelde en een perfecte wagen kan zijn. Wie de bronnen naast elkaar legt, ziet ook dat vraagprijzen bij handelaars vaak duidelijk boven de gemiddelde veilingprijs liggen.
Uitvoeringen en welke het meest gezocht zijn
Series 1 (1961 tot 1968)
De Series 1 met afgedekte koplampen is de klassieke E-Type en de duurste. De 3.8 liter wagens tot 1964 zijn het meest gegeerd, met de allereerste exemplaren met vlakke vloer en uitwendige motorkapsluitingen als absolute top. Vanaf eind 1964 kwam de 4.2 liter motor met meer koppel en een volledig gesynchroniseerde versnellingsbak. In 1966 volgde de 2+2 met langere wielbasis. De overgangsmodellen uit 1967 en 1968, vaak Series 1.5 genoemd, hebben open koplampen en zijn een interessant alternatief voor wie de vorm van de Series 1 zoekt tegen een lagere prijs.
Series 2 (1968 tot 1971)
De Series 2 kreeg onder meer grotere bumpers, grotere achterlichten, een grotere luchtinlaat en betere koeling en remmen. Ze zijn praktischer in gebruik, maar minder puur van lijn, wat zich vertaalt in duidelijk lagere prijzen dan de Series 1. Juist daardoor zijn ze een populaire keuze voor liefhebbers die regelmatig willen rijden.
Series 3 V12 (1971 tot 1975)
De Series 3 heeft de 5,3 liter V12 en werd enkel als roadster en als 2+2 coupé gebouwd. Lang werd hij als minst gewilde E-Type beschouwd, maar specialisten zien de laatste jaren meer belangstelling, vooral voor de roadster als comfortabele GT. De 2+2 V12 blijft een van de goedkoopste manieren om een E-Type te bezitten.
Aandachtspunten bij aankoop die de waarde bepalen
Roest is de grootste kostenpost. De zelfdragende middensectie kan verborgen corrosie bevatten in dorpels, vloer, kofferbakvloer, deuronderkanten, wielkasten en de bevestigingen van het voorste subframe en de achterwielophanging. Een slechte spuitbeurt kan veel verbergen, dus laat de wagen altijd op de brug controleren door een specialist. De grote, scharnierende motorkap is moeilijk af te stellen en duur om te vervangen, dus kijk ook naar de naden en de onderzijde ervan.
Technisch zijn een lekkende koppakking, oververhitting bij de V12 en slijtage aan de ophanging bekende aandachtspunten. Een koppeling vervangen betekent bij de zescilinder dat de motor eruit moet, dus een slippende koppeling is meer dan een detail. Matching numbers wegen bij de E-Type minder zwaar dan bij sommige andere klassiekers, omdat veel motoren in de loop der jaren vervangen werden. Een Jaguar Heritage-certificaat, facturen van de restauratie en foto's van het werk tijdens de restauratie leveren wel duidelijk meerwaarde op.
De markt in België en Nederland
Het aanbod in de Benelux bestaat voor een groot deel uit wagens die oorspronkelijk naar de Verenigde Staten werden geleverd en later teruggehaald zijn, aangevuld met Britse en Europese exemplaren. Op Classic Trader vroegen handelaars in Europa in 2026 voor een Series 1 roadster meestal €90.000 tot €125.000, voor een Series 3 V12 roadster €85.000 tot €100.000 en voor een V12 2+2 ongeveer €57.500 tot €76.000. Dat zijn vraagprijzen; de veilingcijfers liggen vaak lager.
Elke E-Type is ouder dan 40 jaar. In Nederland betekent dat vrijstelling van motorrijtuigenbelasting, wat de wagen voor Nederlandse kopers aantrekkelijk maakt. In België komt een E-Type in aanmerking voor een oldtimerinschrijving, met lagere belastingen maar beperkingen op het gebruik. Voor wie een wagen uit het buitenland haalt, loont het om vooraf een keuring door een E-Type-specialist te laten doen, want herstellingen achteraf zijn duur en het prijsverschil tussen een goede en een matige wagen is groot.




